Corona en de kerk

Het nieuwste protocol van de PKN druist in tegen de wettelijke verhouding tussen de overheid en de kerk, en past bovendien niet in de verhouding tussen de landelijke kerk en de plaatselijk gemeente. Dat de ‘adviezen’ de moeite van het bestuderen en opvolgen waard zijn, is een andere kwestie.

Daarom dit artikel, zie deze link.

Moeders in de Bijbel

In de afgelopen week heb ik elke dag een ‘Moeder in de Bijbel’ belicht. Zes moeders, redelijk willekeurig gekozen. En wie staat er dan op de 7e dag in de serie centraal? Dat is natuurlijk jouw moeder, jouw eigen moeder.

Welke moeders het waren? Hier komen ze:

Eva, Sara (of Saraï of Sarah), Rachel, Zippora, Rizpa (Wie? Precies!) en Hanna. En bij die verhalen heb ik ook nog leuke plaatjes gezocht.

Veel leesplezier!

Houd dan de lofzang gaande, of hoe om te gaan met de heer Corona

We hebben binnen de Exodus-gemeente van Middelharnis-Sommelsdijk besloten de kerkdiensten in de komende weken in aangepaste en afgeslankte vorm door te laten gaan. Normaal gesproken zitten er bij een reguliere dienst ongeveer 180 personen in de kerk. We gaan er vanuit, dat er veel kerkleden zijn, die uit het advies van de RIVM en de PKN afleiden, dat het verstandig is om bijeenkomsten met meer dan 100 personen te vermijden. Dat geldt onder andere voor de bijzondere risicogroepen: mensen die in de zorg werken en ouderen. Die gemeenteleden blijven dan gewoon thuis, en luisteren mee via kerkomroep.nl en kerkdienstgemist.nl.

Op die manier ontstaat er ruimte om de diensten wel door te laten gaan. Ook zonder extra maatregelen, zo is de verwachting, zal het aantal bezoekers onder de 100 blijven. Op de eerstvolgende zondag, 15 maart, kunnen we vaststellen, of dit ook zo is. Zo ja, dan zullen de diensten op 22 en 29 maart ook gewoon doorgang vinden, zij het dus in die aangepaste en afgeslankte vorm. Mocht het aantal bezoekers toch in de buurt van de 100 te komen, dan gaan we ervan uit dat de laatkomers er begrip voor hebben, dat wij op grond van alle publieke en kerkelijke adviezen een bezoekersstop instellen. Dat zou betekenen dat we voor de zondagen daarna op een andere manier het aantal bezoekers moeten gaan beperken tot 100.

Waarom hebben wij dit besluit genomen, en waarom hebben we niet radicaal het advies van het RIVM en de PKN opgevolgd, en de diensten voor de komende drie zondagen afgelast?

In de eerste plaats is de verwachting sowieso, dat er na deze week veel minder mensen naar de kerk zullen komen, waardoor het advies helemaal niet van toepassing is. Maar daar ligt nog wel wat meer onder.

Een van de kerntaken van de christelijke gemeente is ‘de lofzang gaande houden’. Ook al doe je dat maar met een klein groepje, en ook al weet je dat grote delen van de gemeente niet aanwezig zullen zijn – toch kun je op deze manier die lofzang gaande houden.

Daar komt bij dat de verbondenheid binnen de gemeente hierdoor zichtbaar en voelbaar wordt: de kleine groep kerkbezoekers kan aan die verbondenheid op tal van manieren vormgegeven, en de thuisblijvers – of ze nu via internet meeluisteren of niet – weten dan dat hun medegemeenteleden voor en namens hen zingen en bidden in de kerk, waar ze niet fysiek aanwezig kunnen zijn.

Vervolgens willen we niemand de wet voorschrijven; zo zit de Exoduskerk niet in elkaar. We willen de mensen die wel naar de kerk willen komen, tegemoetkomen door een aangepaste en afgeslankte dienst aan te bieden. En naar het zich laat aanzien kan dat zonder dat de adviezen genegeerd worden.

Tenslotte is natuurlijk een rare gedachte dat we in tijden van een (naderende) ramp de kerkdeuren dicht doen. In het verleden liepen de kerken juist vol, als zich in de hele maatschappij iets voordeed waardoor die maatschappij op zijn grondvesten stond te schudden. In tijden van oorlog en epidemieën zochten mensen elkaar op, juist voor het aangezicht van God, om te zingen en te bidden, en uit te spreken dat wij kwetsbare, broze en afhankelijke mensen zijn. We gaan alles proberen om dat voort te zetten.

Kwetsbaar, broos en afhankelijk; over Mozes, Jezus en het corona-virus

Eén van de meest onbegrijpelijke bijbelpassages staat in Exodus 4: De Heer zocht Mozes te doden. Maarten ‘t Hart is voluit over deze passage gestruikeld, en het is ook redelijk onbegrijpelijk – op het eerste gezicht. De angst waarmee Mozes zijn kersverse roeping tegemoet trad, is wél verklaarbaar en zeer actueel. De preek over deze passage en over de verheerlijking op de berg (Mattheüs 17) is hier te lezen en hier te beluisteren. En ja, alle onderwerpen uit de titel komen langs (en nog meer zelfs)!

God woont in de woestijn

De preek van zondag 1 maart 2020 kun je hier lezen, en hier beluisteren. De boodschap is er weer één van een heerlijke tegenstelling: God woont in de woestijn. Niet echt natuurlijk, maar wel in de verhalen van Mozes bij de brandende braamstruik en – niet te vergeten – van Jezus, die in de woestijn zowel zijn Vader ontmoette, als diens grootste tegenspeler!

Preek over roeping en volgen

Nav Mattheüs 4: 12 – 25

Roeping

Met zo’n bootje erbij is het vrij goed uit te leggen wat roeping is.

Je heet, stel, Petrus. En je woont in Kapernaüm. Het college van b& w heeft zojuist de naam van je dorp veranderd in Kafarnaüm, maar daar heb je mee leren leven.

Je kent de geruchten, de verhalen over rabbi Jezus.

De man die hier sinds kort is komen wonen. Hij komt uit Nazaret, maar ja, kan uit Nazaret iets goeds komen? Dat is wel een vraag.

Maar de verhalen over Hem zijn wel indrukwekkend. Hij is zelfs een keer van Nazaret helemaal naar de Dode Zee gelopen, toch een kleine 120 km, om zich te laten dopen door Johannes de Doper, een woestijnprofeet zoals Elia ooit was. En, heel bijzonder, bij die doop daalde de Heilige Geest in de gedaante van een duif op die Jezus neer. Hoe speciaal!

Je zou erbij hebben willen zijn, je zou dat meegemaakt willen hebben.

Hij is toen een tijdje zelf in de woestijn geweest, en heeft daar meegemaakt hoe de duivel je kapot kan maken. Maar Jezus heeft die tijd en die boze geest weerstaan, Hij is er sterker uitgekomen dan Hij er in is gegaan. Dat is toch niet normaal!

Sommige mensen spreken van de Zoon Gods. Anderen noemen Hem de Messias.

Hij heeft een boodschap die honderden mensen aanspreekt.

Hij heeft nog een tijdje in de buurt van die Johannes de Doper gewoond, en daar misschien nog veel bijzondere dingen meegemaakt.

Maar toen gebeurde er iets vreselijk. Die Johannes de Doper is gevangengenomen. En kijk, de reden weet niemand precies, maar die Jezus is toen teruggekomen naar Galilea. Hij is nu ongeveer dertig, en Hij wilde niet meer bij zijn ouders in Nazaret wonen. Niet dat Hij ruzie had of zo, maar gewoon.

Hij heeft toen een huis gevonden hier in Kapernaüm.

En er zijn heel veel mensen die achter Hem aanlopen, en die met Hem weglopen. Ik snap dat wel een beetje geloof ik.

Hij is heel anders dan andere rabbi’s, heb ik gehoord. Hij vertelt mensen de echte waarheid, zowel van hun eigen leven als van onze geestelijke leiders. Hij troost, en Hij geneest, Hij bidt en Hij legt moeilijke dingen uit.

En kijk, kijk, Andreas, kijk, daar komt-ie aan, daar is Jezus, daar in de verte!

Hij komt steeds dichterbij. Het lijkt wel alsof Hij doelbewust op ons afkomt. Hoe kan dat nou? We zijn de netten aan het schoonmaken!

En dan gebeurt het. Jezus spreekt Petrus en Andreas aan.

‘Goedemiddag, ik ben Jezus. Fijn om jullie hier even te kunnen spreken. Tjonge wat een werk hier. Enne, jij heet Petrus, en dat is je broer Jakobus, nee, Andreas? Mooi, aangenaam.

Jullie hebben het misschien al gehoord. Ik reis door de streek om een heel bijzondere boodschap te verkondigen. Die hoor je niet van anderen, omdat die veel meer met zichzelf bezig zijn dan met het echte Woord van God. Mijn oproep aan iedereen die het horen kan, is deze: Kijk eens goed naar jezelf, ben je wel echt goed bezig in je leven? Bezin je eens op wat je aan het doen bent, en denk daarover na. Dan en dan pas alleen kan het Koninkrijk van God nog wat worden op deze aarde. Ik ben er om jullie daarin mee te nemen.

Dat is de boodschap die ik aan iedereen vertel, en blijf vertellen.

Denk na, kom tot inkeer over je leven. Misschien heb je het allemaal goed gedaan in Gods ogen, maar misschien ook niet. Denk na, en blijf nadenken.

Maar als ik jullie hier zo bezig zie, denk ik: Kom maar met mij mee. Als ik het goed heb, snakken jullie ernaar om je leven anders in te richten. Om de dingen anders te doen dan de meeste mensen. Natuurlijk zijn er een heleboel mensen die het mooi vinden wat ik zeg, en ze zullen ook wel blijven nadenken over hun leven en dat misschien anders inrichten. En daar ben Ik erg blij om. Maar jullie hier, Petrus en Andreas, jullie zou ik willen vragen: Kom achter Mij aan, en help Mij mijn boodschap uit te dragen. Jullie zijn vissers, en de vissen die jullie vangen zijn bedoeld voor de consumptie. Ik zie een heel andere perspectief in jullie: jullie kunnen beter vissers van mensen worden en die binnenbrengen in het Koninkrijk van God. Het zou zo gaaf zijn, als er heel veel mensen dat perspectief van Gods Koninkrijk helemaal toe zouden laten in hun leven. Soms is daar een forse ommekeer voor nodig, soms ook niet.

Volg Mij maar. En kijk, daar zijn er nog meer, die Ik graag mee zou willen hebben.’

En Jezus stapt naar de firma Zebedeüs ‘voor al uw visproducten’, en vraagt daar aan Jakobus en Johannes of ze Hem ook willen volgen.

Je zult maar Petrus heten. Of Andreas, of Jakobus of Johannes. Weg visserijverleden, weg het vertrouwde leven van alledag. Weg uit de eigen comfortzone, weg bij vader, moeder, vrouw en kinderen vandaan.

Ze zijn geroepen. Door Jezus zelf.

Er is iets in hen wakker geroepen, een besef, een gevoel dat er al wel was, maar nu pas echt voelbaar en merkbaar is. Ze wilden dat er iemand was die hen over de drempel trok. En hoe Jezus dat weet? Dat is een raadsel. Misschien straalde dat wel van hen af, en misschien wilden ze gewoon tegendraads zijn. Geen idee.

Met Jezus is er nieuw licht aangegaan in Galilea. Niet voor niets haalt Mattheüs de evangelieschrijver Oudtestamentische woorden aan. Over het Galilea der heidenen schijnt nu een groot licht, en dat heet Jezus.

Roeping betekent voor Petrus en zijn maten dat er iets in hen wakker is geroepen, dat nooit meer gaat slapen. Ja natuurlijk wisten ze wel, dat er iets moest veranderen, maar ja wat precies. En ben ik dan de aangewezen figuur om daar iets aan te doen? Het is zo anders, zo nieuw en onbekend, daar kun je toch niet zomaar aan beginnen!?

En dan komt er een stem. Van God, van Jezus, van de gemeente, en die zegt: ga je eens inzetten voor het Koninkrijk van God.

Dan komt er een profeet, en die vertelt dat het Koninkrijk van God voor het oprapen ligt. We kunnen, zo blijkt uit de woorden van die Jezus, dat Koninkrijk zo invullen. Inzicht en inkeer, een duidelijke beslissing in je leven, en je bent er.

Nou ja, zo makkelijk is het ook niet, maar bij wijze van spreken. En dan kun je niet anders dan uit je bootje stappen, en Hem volgen.

Je zou het op twee niveaus kunnen benaderen. Aan de ene kant is er de algemene oproep van Jezus om tot inkeer te komen. Dat begint met bezinning over de grote vragen: wat kan ik als klein mens bijdragen aan het Koninkrijk van God op deze aarde. En dan denk ik: Kijk maar om je heen. Overal waar liefde, ontferming en eerlijkheid ontbreekt, daar valt iets te doen. Verontwaardiging over het feit dat er nog steeds mensen in armoede leven, terwijl enkele tientallen miljonairs en miljardairs niet weten wat ze met hun geld moeten doen. Inzet voor onrecht, niet alleen omdat wij nu eenmaal wetten hebben die door iedereen nageleefd moeten worden, maar om mensen tegenover hun Schepper, hun medemens en zichzelf tot hun recht te laten komen. Afkeer van systemen, waarin mensen als nummers en onmondig vee behandeld worden. Gaat u zo nog maar even door. Hoe verhoudt ons leven zich tot het Koninkrijk van God, dat soort vragen. En die leiden als het goed is, tot beweging, verandering in je eigen leven en in de wereld om je heen.

Het andere niveau is dat van Petrus en zijn kompanen. Zij worden actief tot zeer actief. Waarschijnlijk hadden ze het gevoel dat er iets moest gebeuren, wel in zich, maar de concrete roepstem van Jezus heeft hen ervan overtuigd dat ze niet konden blijven hangen bij zo’n algemeen gevoel van ‘er moet wel iets gebeuren, maar ik weet ook niet precies wat.’

Ze zijn zonder enige tegenspraak achter Jezus aangelopen. Ze hebben hun bootje, hun comfortzone verlaten, en ze hebben er geen moment spijt van gehad. Geen enkele discipel van Jezus heeft spijt van het feit dat hij of zij de roepstem van Jezus heeft gevolgd.

Roept Jezus vandaag de dag nog op deze manier? En hoe zit dat met het Koninkrijk van God dat dan zogenaamd zo nabij is?

Dat deze wereld niet de ideale wereld is, ach daar zijn we het snel over eens. En dat we er iets aan moeten doen, dat snappen we ook nog wel. Maar wat dan?

Een paar ideeën.

  1. Kijk eens om je heen, gewoon in je eigen wereld, of je dingen ziet, die thuishoren in het Koninkrijk van God, of die daarvandaan komen. Voorbeelden zijn liefde en trouw, onderlinge hulp enzovoort. Zul je zeggen, dat je dat bij niet-gelovigen ook tegenkomt, maar daar heb ik het niet over. Het gaat om de tekenen die bij het Koninkrijk van God horen. Recht doen aan elkaar hoort bij de mens als schepsel van God. Dat soort dingen.
  2. Kijk eens in je eigen hart en leven, die inkeer waar Jezus het over heeft. Ik doe wel van alles, maar als ik daar het perspectief van Jezus of van het Koninkrijk van God eens naast zet, draagt het daar dan iets aan bij? Iedereen heeft wel eens van die momenten waarop hij of zij denkt: ‘Eigenlijk zou ik dit of dat’, maar dan gebeurt het niet. Richting je vader en moeder, of ja collega’s, noem maar op.
  3. Zet je in voor de zaken die kenmerkend zijn voor het Koninkrijk van God. Ik noemde al recht en gerechtigheid. Maar je kunt daar in één adem aan toevoegen: zorg voor de schepping, zorg voor de medemens, zorg voor de onderdrukte en vervolgde mensen. En natuurlijk voor de gemeenschap van gelovigen: blijf elkaar opzoeken, blijf elkaar aansporen om te doen wat nodig is voor het Rijk van God in deze wereld, in onze wereld.
  4. Het is niet alleen een kwestie van Jezus volgen, maar ook net als Jezus worden. Roep zelf mensen op om op hun benen te gaan staan, om in de benen te komen voor het verkondigen, het uitbreiden en intensiveren van het Koninkrijk van God. Houd elkaar voortdurend (of alleen maar eens zo af en toe) de spiegel voor van Gods Koninkrijk: wat kunnen we er samen aan doen om daar meer en meer handen en voeten aan te geven.
  5. En tenslotte en uiteindelijk gaat het om het geloof in je eigen roeping op welk niveau dan ook, het geloof in de gemeenschap hier, en het geloof dat God zelf door Jezus degene is die de roepstemmen laat klinken. Geloof in God en Jezus houdt in, dat je onderdeel bent van het Koninkrijk van die Twee. En als je daarover nadenkt, kun je niet rustig achteroverleunen bij alles wat je om je heen ziet gebeuren. In het Koninkrijk van God zijn we maatjes van Petrus en Andreas, van Jakobus en Johannes. En die namen in het grootst denkbare geloof de grootste stap in hun leven: ze lieten hun oude leven voor wat het was, gaven gehoor aan hun innerlijke stem, en gingen op weg toen Jezus hen onweerstaanbaar opriep Hem te volgen.

Amen.

De revolutie van Kerst

Kerst is revolutie. Dat zit je natuurlijk niet te bedenken als je aan het familiediner zit met de kerstdagen. En ook een week later bij de oliebollen, kan ik mij zo voorstellen dat je niet direct over de revolutie van Kerst nadenkt.

Maar aan het begin van dit nieuwe jaar wil ik toch graag gezegd hebben, dat je eigenlijk niet kunt blijven hangen bij een feel good dinner aan het einde van het jaar.

Ja maar, wat is die revolutie dan? Het kerstverhaal zelf is toch gewoon prachtig, een inspirerend verhaal over een nederige geboorte van een man die later wereldberoemd zal worden?

Dat klopt, dat klopt óók. Maar er is wel veel en veel meer over te zeggen dan dat.

We hebben vanochtend het verhaal gehoord van de Wijzen uit het Oosten; bekend verhaal met een bekend vervolg. Er zijn er liederen over: ‘De Wijzen, de Wijzen, die gingen samen reizen’, enz.

Maar waarom gingen die wijzen reizen, en waarom vertelt Mattheüs dit verhaal? En dan nog een vraag: het hele Oude Testament staat ook bol van de afwijzingen en veroordelingen van magiërs, waarzeggers, tovenaars en noem maar op? Hoe kan het dan, dat uitgerekend deze categorie mensen zo’n grote rol speelt bij de geboorte van Jezus, bij het begin van het christendom? Drie vragen dus.

Het antwoord op de eerste vraag, waarom die wijzen gingen reizen, is lastig te geven. Ik ben geen astroloog, en iedereen die iets over de stand van sterren enzovoort roept, kan van mij bij voorbaat gelijk krijgen. Maar het schijnt zo te zijn geweest, dat in het jaar 7 of 6 vChr. er een heel bijzondere stand van de sterren was. De planeten Jupiter en Saturnus stonden dicht bij elkaar, en dat komt wel eens in de 794 jaar voor. Jupiter geldt als de ster van de wereldheerser, en Saturnus is in het oosten bekend als de ster van Palestina. Beide planeten waren zichtbaar onder het sterrenbeeld van de vissen. En voor doorgewinterde astrologen was het duidelijk: sterrenbeeld vissen, wereldheerser, Palestina: pak je koffers.

De tweede vraag, waarom Mattheüs dit verhaal vertelt, is misschien iets eenvoudiger te beantwoorden. Kort voordat Mattheüs zijn evangelie schreef, namelijk in het jaar 66 na Christus, trok de koning van Armenië, Tiridates, naar Rome om keizer Nero zijn eerbetoon te brengen en tot koning gekroond te worden. Hij deed dat met een gevolg van zijn vrouw, zijn zoons, 3000 ruiters en een grote karavaan, met alle denkbare pracht en praal. Hij trok van de Eufraat naar Rome in een reis die negen maanden duurde. Iedereen in het Romeinse Rijk praatte hierover. Als Mattheüs zijn evangelie opent met het verhaal van Wijzen uit het Oosten, die een wereldheerser in spe gaan vereren, dan snapt iedereen de parallel met het verhaal van de koning Tiridates.

En niet alleen de parallel, maar juist ook de tegenstelling, juist ook het revolutionaire van Mattheüs om precies dit verhaal te gebruiken om het bijzondere karakter van Jezus’ geboorte aan te geven. Deze wijzen gingen niet naar Rome, en kwamen zelfs in Jeruzalem niet op de juiste plek aan. Ze moesten naar een onaanzienlijk plaatsje, zoals Bethlehem. Waar keizer Nero nog een enorm feest heeft aangericht om Tiridates tot koning over Armenië te kronen en natuurlijk vanwege het eerbetoon aan hemzelf, was er niemand die op de komst van deze wijzen had gerekend. Ze zijn ervan uitgegaan, dat het grote feest in Jeruzalem zou plaatshebben. Maar in Jeruzalem was geen koningskind te vinden, en in Bethlehem was al helemaal geen feest; het was een bittere armoede.

Ik zou wel eens willen weten, hoe de eerste toehoorders en lezers van het evangelie van Mattheüs met dit verhaal zijn omgegaan. Het was een directe verwijzing naar een redelijk recente gebeurtenis uit het wereldnieuws. Hopelijk begrepen ze de boodschap: een optocht, die in pracht en praal misschien niet eens echt onder deed voor die van koning Tiridates, kwam uit bij het plaatsje Bethlehem. Over revolutie gesproken!

Maar het wordt nog gekker, ook voor de lezers en hoorders van het eerste uur. Want, wie zei je ook alweer, wie kwamen er uit het Oosten? Magiërs, sterrenwichelaars, waarzeggers. Maar die waren in de Bijbel, althans in het Oude Testament, toch zo ongeveer verboden. Je zou eens moeten googelen of in een concordantie moeten opzoeken, wat er over dit soort mensen alle opgeschreven is. Neem bijvoorbeeld het boek Daniël. Daniël leefde aan het hof in de stad Babel. Hij weigerde zich neer te leggen bij de voorschriften van de koning, maar werd er wel bij geroepen als de dromen van de koning verklaard moesten worden. En hij wilde zich absoluut niet op één lijn stellen met de dromenuitleggers aan het hof van de koning, want zo zegt hij: ‘Mijn uitleg heb ik van mijn God ontvangen.’ En herhaaldelijk wordt Daniël tegenover de magiërs gezet. Zij kunnen niks, en zij bedriegen de hele boel. Zij houden geen rekening met de God van Daniel, en mede daarom steeg Daniël torenhoog boven hen uit. Nou, als je daar het beroemde verhaal van Saul te Endor bij optelt, dan weet je het wel. De waarzegster aldaar riep de geest van Samuel op, en dat heeft Saul uiteindelijk met de dood moeten bekopen. Nee, over waarzeggers, sterrenwichelaars, magiërs enzovoort is het Oude Testament vrij helder: dat zijn afgodendienaars die niet in het land en in de geschiedenis van het volk Israël thuishoren.

Revolutie! Uitgerekend deze mensen, die aan de hand van de sterren hebben vastgesteld, dat er een koningskind in Bethlehem is geboren, uitgerekend deze mensen laten het enorme tekort zien aan geestelijk en spiritueel leven in en rond Jeruzalem. Niemand, maar dan ook niemand in heel Israël is op de gedachte gekomen dat de geboorte van Jezus wel eens heel spectaculair zou kunnen zijn, heel revolutionair. De Farizeeën en de Schriftgeleerden bleven zelfs nadat ze ontdekt hadden, dat er in Bethlehem een koningskind geboren zou worden, rustig thuis. Schokkend! Schokkend! De Verlosser, mogelijk de Messias, is conform de profetieën van Micha geboren in Bethlehem. Maar ze blijven zitten waar ze zaten.

Het is dan ook bedroevend, dat het een geminachte groep buitenlandse sterrenwichelaars is, die wel de tocht naar Bethlehem ondernomen; de rest bleef thuis.

Je zou hier op z’n minst al uit kunnen concluderen, dat er in het geestelijk leven van Jeruzalem nog veel meer dan een revolutie nodig was, om de boel daar een beetje te veranderen. De boel zat daar gewoon weg muur- en muurvast.

Zelfs een boodschap die direct doet denken aan die spectaculaire reis van koning Tiridates, heeft hen niet in beweging kunnen krijgen.

Revolutie in het kerstverhaal, het kerstverhaal als revolutie. Er zitten veel meer elementen van revolutie in de kerstverhalen van Mattheus en Lukas, maar je kunt niet alles in één keer bespreken. Uitdaging: lees die verhalen eens met de bril van de revolutie op.

Leuk, boeiend, interessant, zeker. En nu? Wat kunnen wij daarmee? Het zal u niet verrassen, maar ik heb wel een paar ideeën.

Ten eerste past dit revolutie-idee heel erg goed bij tal van andere verhalen uit de Heilige Schrift. De Bijbelse scheppingsverhalen staan haaks op de scheppingsverhalen van de omringende volkeren. Het voert te ver om daar nu op in te gaan, daar zijn leerhuizen, gespreksgroepen en catechese voor.

De uittocht van het volk Israël uit Egypte is een enorm revolutionair verhaal. In de weken vanaf het Aswoensdag gaan we veel lezen uit ons lijfboek, Exodus. Ook daarin zullen veel revolutionaire verhalen en elementen aantreffen. Oog hebben voor het spectaculaire en revolutionaire van de Bijbelverhalen is een lees– en levenshouding. Er staan eigenlijk maar bar weinig feel good-verhalen in de Bijbel.

Ten tweede is dat een revolutie–aspect een spiegel. En de vraag is dan een beetje in hoeverre zo’n revolutiegedachte bij ons een rol speelt in het leven en geloven. Al die verhalen uit de bijbel waarin er een revolutie nodig is om het vlammetje weer een beetje brandende te krijgen, stellen ons voor de vraag hoe vastgelopen en ingeslapen wij zelf zijn. Bevrijding uit knellende banden kan kennelijk niet zonder slag of stoot. Niet, dat die revoluties altijd met bloed gepaard moeten gaan, want dat was bij de geboorte van Jezus ook bepaald niet het geval. Het gaat om een levenshouding, om een leeshouding ook, waarbij je ver weg blijft van alles wat ingeslepen en ingeslapen is; waarbij je ver weg blijft van alles waarin je vastgezogen zou kunnen komen te zitten; waarbij je voortdurend op zoek bent naar een vlam, naar het vuur van den beginne, naar de geest tussen de regels in plaats van een dorre letter; waarbij vernieuwing, permanente vernieuwing bijna een opdracht is om te voorkomen dat je veroudert en ouderwets wordt; waarbij je elkaar inspireert tot nieuwe dingen zonder bang te hoeven zijn dat de ander jou afrekent op wetten, gewoontes en tradities.

Anders nog iets?

Ten derde, om er toch nog wel iets aan toevoegen, is het volgen van Jezus dus nooit een kwestie van bij de pakken neer zitten, of met de massa meelopen. Het is altijd zoeken en kijken naar ruimte en licht, principieel openstaan voor het onverwachte en het onmogelijke, en daarnaar op zoek gaan. Wees erop berekend, dat je niet bij de groten der aarde uitkomt, maar in een nederig onderkomen. Ga niet op zoek naar steun bij de gevestigde orde, en steun die ook niet, maar bemoei je met de mensen die in die gevestigde orde zijn vastgelopen of daarin niet mee kunnen. Jezus kon uitstekend omgaan met de rijken en de bestuurders van zijn land, maar het heeft Hem er nooit van weerhouden om, zoals ook in Psalm 72 staat, een Redder te zijn van de armen.

Er staat een nieuw jaar voor de deur, en iedereen moet morgen gewoon weer aan het werk of naar school, of gewoon de dingen doen die je gewend was te doen. En je gewone dagelijkse werkzaamheden zijn bijna nooit revolutionair. En daarom is het om aan het begin van dit nieuwe jaar naar jezelf en naar je geliefden, naar de kerk en naar de samenleving te kijken met de bril van de revolutie.

Tenslotte dit punt. De Wijzen uit het Oosten zijn er niet voor teruggedeinsd dat zij hun goud, wierook en mirre moesten afstaan aan een allereenvoudigste baby, en dat ze op geen enkele manier met feestgedruis ontvangen zijn, zoals die koning Tiridates. Ze hadden ook spoorslags terug naar het Oosten kunnen gaan, toen ze hoorden dat ze niet in Jeruzalem moesten wezen. Maar dat hebben ze niet gedaan; ze moesten en zouden het bijzondere koningskind zien en aanbidden, ook al was dat volkomen ongepast en afwijkend van een oorspronkelijke plan.  Ook dat is al spectaculair!

Kerst is revolutie, en dat zal in het leven van Jezus meer en meer duidelijk worden.

Amen.

Huis van gebed of rovershol

Op een paar plaatsen[1] wordt verteld dat Jezus de tafels van de geldwisselaren en de duiververkopers omknikkerde. Hij zei daarbij, dat deze tempel een huis van gebed moest zijn en niet een rovershol of verkoophuis.

Wat was daar nu aan de hand? In het gewone leven konden mensen met Romeins geld betalen, maar in de tempel met apart daarvoor aangewezen geld, speciale munten. Nu hadden de joden die in Israël leefden waarschijnlijk altijd wel tempelgeld op voorraad, maar soms moesten ook zij wisselen. Om Romeinse munten om te wisselen voor tempelgeld traden er priesters op als geldwisselaren. Ook waren er natuurlijk veel buitenlandse joden die in Jeruzalem Pasen kwamen vieren, en die hadden helemaal geen tempelvaluta.

Daarbij komt, dat er een soort tempelbelasting bestond van een halve sikkel, ongeveer twee daglonen[2].

De priesters verdienden goed aan deze valutahandel. Op zich is dat nog niet zo erg, maar dat deden ze dus opzichtig ín de tempel. En dat is op zich nog niet zo erg, maar de opbrengst van deze handel was voor hen persoonlijk. Zo verdienden zij privé geld aan de gelovigen die hun verplichtingen nakwamen. Daar wond Jezus zich, terecht denk ik, nogal over op.

Ongeveer hetzelfde gold voor de duivenhandelaren. Arme mensen, die geen geld hadden om een dier te offeren zoals voorgeschreven (simpelweg omdat dat te duur was), konden volstaan met het offeren van twee tortelduiven of twee jonge duiven[3]. De handel daarin was ook in handen van de priesterklasse, die daar een extra inkomstenbron voor zichzelf in zagen.

Waarom werd Jezus zo kwaad? Omdat er in de tempel misbruik werd gemaakt van de voorgeschreven gewoontes, en omdat de opbrengsten daarvan in de zakken van de priesterklasse verdween.

De vergelijking met de bazaar in de Exoduskerk gaat dus niet op. Hier hebben heel veel mensen volstrekt belangeloos de hele week lopen werken aan de opbouw van de bazaar. En van de opbrengst gaat niets naar de portemonnee van de medewerkers in privé. Iedereen heeft zich met hart en ziel ingezet voor de kerk en niet voor zichzelf of voor eigen gewin. Ik denk, dat als er ontdekt zou worden dat iemand iets van de opbrengst mee naar huis genomen heeft, die persoon volgend jaar niet meer mee mag doen; en terecht.

Tenslotte nog dit.

De tempel was het centrum van het joodse geloof. Op Oudtestamentische wijze gewijd[4]. De handel in munten en duiven was dus ook een rechtstreekse ontwijding van het tempelgebied.

In onze kerken kennen we in principe dit soort wijdingsrituelen niet (meer). In het Dienstboek van de PKN staan wel liturgische suggesties voor de ingebruikneming van een kerkgebouw, maar daar worden het woord ‘inwijding’ e.d. zorgvuldig vermeden. Daarin verschillen de protestantse kerken van de katholieke kerken. In een katholieke kerk is een bazaar als deze ondenkbaar, althans in de ruimte waarin de Mis wordt gevierd.

Middelharnis, 3 november 2018

Jan de Visser


[1]              Mattheüs 21: 13, Lukas 19: 46, Johannes 2: 16

[2]              Exodus 30: 13; 38: 26, 2 Kronieken 24: 6 en 9

[3]              Leviticus 5: 7; 12: 8, Lucas 2: 24

[4]              1 Koningen 8: 1 – 53, 2 Kronieken 5: 2 – 7: 10

Orgelconcert Ouddorp 10 augustus 2019

Hoewel niet alles perfect is geweest tijdens het inloopconcert op 10 augustus jl. in de Hervormde Kerk van Ouddorp, maakt dat nog niet dat ik er eigenlijk toch wel heel erg trots op ben: mijn concertdebuut.
Om het ontbreken van bewegende beelden enigszins te compenseren, volgt er een kleine toelichting per onderdeel.

  1. Jehan Alain (1911 – 1940), Deux Chorals pour Orgue, I. ‘Choral Dorien
    Een rustige opening, bijna dromerig. Je wordt heel even bijna wakker, maar daarna kun je weer verder mijmeren. Jehan Alain was de broer van de grote Marie-Claire Alain. Hij kwam op veel te jeugdige leeftijd om in de Tweede Wereldoorlog.
  2. Sigfrid Karg-Elert (1877 – 1933), Opus 65, ‘Nun danket alle Gott
    De ondertitel van dit werk is ‘Marche Triomphale’. Dat hoor je dan ook wel. Een vrij stevig contrast met het openingsnummer. Je bent in één keer wakker.
  3. Johann Sebastian Bach (1685 – 1750), BWV 721, ‘Erbarm dich mein, o Herre Gott’
    Het origineel schijnt geschreven te zijn voor één manuaal (clavecimbel of spinet), maar de versie waarin de linkerhand met het pedaal een soort staccato-begeleiding spelen met een uitkomende stem in de rechterhand, is zeer fraai. Eén van de meest ingetogen werken van het programma.
  4. Johann Sebastian Bach (1685 – 1750), Choral ‘Mortifié-nous par ta Bonté’ (Ertödt uns durch dein’ Güte) Extrait de la Cantate No. 22 ; Transcription pour orgue par Maurice Duruflé.
    Bach heeft deze koraalmelodie (zie ook Liedboek 2013, Gezang 517) gebruikt in de genoemde cantate. Maar, barok als Bach is, zet hij dit lied met een soort spirituele doodswens in een heel luchtige sfeer om de tegenstelling te benadrukken tussen de aardse dood en de hemelse blijdschap. Duruflé vond dat kennelijk reden om een bewerking te schrijven voor orgel, waar hij de aanduiding “Andante, MM 42”, oftewel heel langzaam.
  5. Johann Sebastian Bach (1685 – 1750), BWV 622, ‘O Mensch, bewein’ dein Sünde groβ’
    Dit orgelwerk heeft de melodie van Psalm 68, en van het slotkoor van het eerste deel van de Mattheüs Passion. De laatste maat vermeldt de aanduiding “Adagissimo”, oftewel veel langzamer dan het voorgaande, vertragen. Toen Bach gevraagd werd naar de absurde harmonie van deze laatste akkoorden, moet hij gezegd hebben: “Zo absurd is het dat Jezus is gekruisigd”.
  6. Theodore Dubois (1837 – 1924, Seven Pieces for Organ:
    Het lijkt erop dat Dubois een bundeltje orgelwerken heeft geschreven voor het gebruik in of rond de eredienst.
    a. Cantilène religieuse (in C)
    Het derde deel van deze bundel is nog helemaal in de gezang-sfeer; zeer ingetogen, maar toch hier en daar verrassend.
    b. Marcietta (in F)
    Ooit was er een koor in een dienst waarin ik voorging. Na de preek zei de zangleidster: ‘Voor het geval u wat ingekakt bent vanwege de preek: hier volgt een vrolijk nummer.’ Uiteraard was ik niet blij met die opmerking, maar Dubois moet iets dergelijks gedacht hebben. Een kleine, vrolijk mars voor na de preek (denk ik).
    c. Postlude-Cantique (in E-flat)
    Uitleidend orgelspel is vaak een vertoon van kracht en virtuositeit zeker in Frankrijk. Dit stuk is daar een voorbeeld van. Er zit ook een soort gezangachtige melodie in, maar daar heeft nog nooit iemand een gedicht of gezang bij geschreven. Wie weet! Laat je inspireren!
  7. Charles-Marie Widor (1844 – 1937), Symphony No. 4 for organ
    Ook Widor is natuurlijk een kerkorganist pur sang. Zelfs in de grote werken kom je dat tegen.
    a. deel III Andante cantabile
    Dit deel heft een opening die heel veel lijkt op het begin van Psalm 79. Een Nederlandse organist, Feike Asma, heeft ooit een bewerking van deze psalm geschreven in precies dezelfde toonsoort als dit Andante. Toeval?
    b. deel VI Finale
    Magistraal en majestueus, met hier en daar heel bijzondere en bijna afwijkende elementen. Het zou zeer goed kunnen functioneren als uitleidend orgelspel (in Frankrijk).
  8. Max Reger (1873 – 1916) , Neun Stücke für die Orgel, Op. 129, nr. 4: ‘Melodia’
    Zo vlak voor de apotheose van het programma nog even een moment van verstilling. Reger loopt dwars door allerlei toonsoorten heen, en laat ons niettemin in een brede openheid genieten van bijna buitenaardse schoonheid, loopjes en verrassingen.
  9. Alexandre Guilmant (1837 – 1911), Sonata No. 5 in C Minor, Op. 80, deel I, Allegro Appasionato
    Ook dit is majestueuze muziek. Groots en meeslepend. En dat voor de opening van deze grote vijfde sonate! Omdat er nog een paar delen volgen, laat Guilmant dit deel met een mineur-akkoord eindigen. Maar omdat het wel het laatste akkoord is van het officiële programma ben ik zo eigenwijs geweest om het in majeur te laten klinken. En dat voelt eigenlijk wel erg goed!
  10. Jan Zwart (1877 – 1937), Orgelhymne “Wilt heden nu treden” (Oud-Nederlandsch Volkslied)
    Deze toegift heb ik gespeeld, ten eerste omdat ik dit stuk al jaren met me meedraag, ten tweede omdat mijn vader (die in de week van het concert 94 jaar geworden zou zijn) van deze muziek hield, en ten derde omdat het gewoon een heerlijk stuk is.

Overstap Vera en Jasper

Wij sluiten ons eerste jaar als predikant van de Exodusgemeente af met weer een bijzondere dienst. Dit keer gaat het over Jasper en Vera, die de overstap maken van de kindernevendienst naar de wereld van 12+, om het maar eens zo te zeggen.

De hele dienst is terug te luisteren via kerkdienstgemist.nl > Sommelsdijk > Exodusgemeente > 7 juli 2019. Hieronder staan enkele onderdelen van deze dienst, die min of meer rechtstreeks te maken hebben met deze jongeren:

Het Kyriëgebed

De act met Renée Schoenmaker tijdens het moment met de kinderen

De lezing door Jasper en Vera van het verhaal uit Lucas 10: 1 – 20

De geweldige durf van Vera om gewoon Für Elise te gaan zitten spelen, en dat dan ook nagenoeg foutloos doet! Ook op deze plaats complimenten voor haar!

De preek, gericht op deze twee jonge mensen, en de gemeente als geheel. Als slot klonk de zin, dat ze zich mogen verheugen dat hun naam in de hemel opgeschreven staat. En dat hebben we laten zien: hun namen op het plafond van de kerk.

En tenslotte staat hier de inleiding op geheel van het overstapgebeuren.

Veel luisterplezier en inspiratie gewenst.